Rassen

Rassen:

Antwerpse Smierel :

Herkomst : De Antwerpse regio. Eind 19de eeuw was de Antwerpse smierel een kopie van de Luikse meeuw, een duifje van 300 à 400 gram, ze werd in die periode in het Antwerpse gebruikt als wedstrijd-vliegduif. Later werd de Antwerpse smierel tot wat het vandaag is: de zwaarste van de meeuwduiven, door inkruising van zware rassen met langere koppen.

Eigenschappen : Vrij rustige duif die het vroeger wel eens moeilijk had om haar jongen zelf groot te brengen. Tegenwoordig wordt er fel geselecteerd op dieren die zelf hun jongen goed azen door fokkers en verloopt de fok veel vlotter. De Antwerpse smierel is onbetwistbaar een mooie duif, maar het blijft een hele uitdaging om dit ras te fokken. Wie goede heeft, houdt ze ook meestal voor zichzelf, omdat door inkruising van rassen zonder schildtekening, er ook veel uitval is van slecht getekende dieren.

Uiterlijke kenmerken : Witte schildmeeuw met gekleurde mantel, voorzien van een weelderige jabot en een forse kop. Deze kop dient krachtig te zijn en vormt een harmonieus gebogen lijn van de snavelpunt tot het achterhoofd. Vrij van snavel- en voorhoofdsdruk. Het aangezicht is minstens middellang. Krachtige duif met een gewicht van ongeveer 600 gram (575 tot 650) en een horizontale stand. De keel is goed uitgesneden. De snavel is eveneens krachtig en bijna middellang, de doorgetrokken snavellijn loopt midden door het oog. Onder- en bovensnavel zijn ongeveer even dik.

Kleurslagen : Enkel het schild is gekleurd, wat kleur achter de loopbenen (broek) is toegelaten. Minimum de 7 buitenste slagpennen zijn wit , maximaal 12. De vier duimveren moeten niet gekleurd zijn, maar dit vormt wel een pluspunt. Erkend in zwart, dun, blauw, bruin, rood, geel en zilver met hun verdunningen, met en zonder banden, gekrast en gezoomd en witgeband. 

Status : Zeer zeldzaam ras, al komen er regelmatig fokkers bij de laatste tijd.

Gentse meeuw :


Herkomst : De Gentse meeuw is de jongste creatie onder de Belgische meeuwduivenrassen. In de vijftiger jaren van de twintigste eeuw werd deze duif in Vlaanderen geselecteerd uit Vlaanderse smierels. De Gentse meeuw werd als ras officieel erkend in 1960.

Eigenschappen : Rustig en gemakkelijk duifje dat zonder problemen verschillende nesten na elkaar grootbrengt. Gekenmerkt door zijn vertrouwelijk en opgewekt karakter kan je de Gentse meeuw vergelijken met de Vlaanderse smierel, al kent hij heel wat minder liefhebbers, omdat het ras veel jonger is en vele fokkers eerder kiezen voor het uitgebreide kleurenpallet van de Vlaanderse.

Daar de duif volledig eenkleurig wit is, moet er met andere woorden bij de fok en selectie geen rekening gehouden worden met kleur en tekening. Hierdoor gaat men op tentoonstellingen iets strenger keuren op een goede kop, kap en jabot.

Uiterlijke kenmerken : Middelgrote eenkleurige schildmeeuw (ongeveer 400 gram). De houding is iets afhellend (bijna horizontaal). De snavel-voorhoofdslijn verloopt recht zonder enige indeuking tussen snavel en voorhoofd, de schedel dient gerond te zijn. De puntkap wordt ononderbroken ondersteund door manen en de punt komt op gelijke hoogte met het hoogste punt van de schedel, net boven het oog. De snavel is middellang en vleeskleurig, boven- en ondersnavel ongeveer even dik. De keel is goed uitgesneden en het oog is donker (vitsoog).

Kleurslagen : wit: volledige witte duif.

Status : Er zijn Gentse meeuwen van zeer goede kwaliteit, maar het ras is niet zo grootschalig vertegenwoordigd als de Vlaanderse smierel. Op sommige tentoonstellingen zie je eerder een kleine reeks van dit ras tentoongesteld.

Luikse Barbet :

Herkomst : De Luikse regio, vanaf de 19de eeuw is deze ontstaan uit een kruising van een meeuwduif met de heden verdwenen Camusduif. Werd in die periode gebruikt door de Luikse duivenliefhebbers als reisduif, maar het flyer-type bleef niet echt behouden. De Luikse barbet is sterk verwant en vergelijkbaar met de Luikse reisduif, alleen de jabot maakt het verschil.

Eigenschappen : Goede kweekduif als er opgelet wordt dat de bek van de ouderdieren niet te kort en te breed wordt. Bij te korte bekken komen de ouders er niet toe hun jongen te azen rond de ouderdom van twee weken. Daarom laten sommige liefhebbers de jongen grootbrengen door voedsterdieren (Belg. reisduif). Als gevolg van kruisingen met de Luikse reisduif zijn er nogal wat barbetten met een zwakke jabot en ook door het breder en korter wordende type laat de rugafdekking het vaak afweten. Wanneer de Luikse barbet beschikt over de vrije vlucht, zal ze hier gretig gebruik van maken om dagelijks enkele rondjes boven het hok te toeren.

Uiterlijke kenmerken : in tegenstelling tot de andere Belgische meeuwduivenrassen is de Luikse barbet geen schildmeeuw. Het is een middelgrote meeuwduif, kort en gedrongen met een iets opgerichte houding en goed ontwikkelde jabot. De kop is gerond en breed. De snavel-voorhoofdslijn verloopt zonder enige indeuking tussen snavel en voorhoofd. Het hoogste schedelpunt ligt oven het oog. Oogkleur is warm oranje. De snavel is kort, breed, in het verlengde van het voorhoofd, zonder indeuking. De borst is zeer breed, goed gespierd en vooruitstekend.

Kleurslagen : Erkend in blauw, zwart, dominant rood, roodzilver of hun verdunde kleuren met banden, zonder banden, gekrast, donker gekrast (T pattern), alle schimmels, wit, donker en licht getijgerd in zwart en blauw. De stuit is steeds eenkleurig.

Status : was tot voor kort zeldzaam, al is er een positieve evolutie merkbaar met enkele enthousiaste kwekers in Wallonië en nu ook in Vlaanderen.

Luikse meeuw :


Herkomst : Onze Belgische meeuwduiven zouden een Oosterse oorsprong hebben sinds de 15de eeuw. Tijdens de 19de eeuw werd bij het begin van de duivensport de Franse meeuw gekruist met de verdwenen Camusduif, hieruit ontstond een gegeerde vliegduif, namelijk de Luikse meeuw. De Luikse meeuw is sterk verwant aan de Antwerpse smierel, maar deze laatste heeft echter een ware gedaanteverwisseling ondergaan, waar de Luikse meeuw het flyer-type gebleven is.

Eigenschappen : De Luikse meeuw is een zeer goede kweekduif en brengt gemiddeld om de vijf weken een koppel jongen groot. Het azen van de jongen verloopt probleemloos, mede door haar middellange snavel en minder brede kop. Dit is bij sommige meeuwduivenrassen een ander verhaal door vaak te korte en te brede bekken. Verder is de Luikse meeuw een zeer gemakkelijke duif in de omgang, verre van agressief. Wanneer ze over de vrije vlucht beschikt, toert ze ook graag dagelijks enkele rondjes boven het hok.

Uiterlijke kenmerken : Witte schildmeeuw, d.w.z. een witte duif met gekleurde mantel, eerder klein met een gewicht van ongeveer 400 gram. Ze dient te schikken over een forse jabot. Relatief kort van type, maar lijkt wat langer te zijn dan de luikse barbet, daar zij minder fors van bouw is. Geronde kop met middellange, licht roze bek van ongeveer 18 mm en een goed uitgesneden keel. De snavel-voorhoofdslijn verloopt tussen de punt van de bek en het voorhoofd zonder enige indeuking. De stand is nagenoeg horizontaal.

De laatste jaren werken de fokkers vooral rond de verbetering van het type, waardoor vaak dieren met een minder goede tekening op het hok blijven zitten, wat zich dan op zijn beurt wreekt bij de nakomelingen. Door het inkruisen van de Franse meeuw bezitten de meeste Luikse meeuwen vandaag over een goede kopbelijning en mede door de Akense Lakschildmeeuw is de kleur de laatste jaren veel intensiever geworden, maar deze laatste geeft naast zijn mooie kleur ook de keelwam door, die dan weer niet gewenst is en waarop streng geselecteerd moet worden!

Kleurslagen : Enkel het schild is gekleurd, wat kleur achter de loopbenen (broek) is toegelaten. Minimum de 7 buitenste slagpennen zijn wit , maximaal 12. De vier duimveren moeten niet gekleurd zijn, maar dit vormt wel een pluspunt. Erkend in zwart, blauw, bruin, rood, geel en zilver met hun verdunningen, met en zonder banden, gekrast en gezoomd en witgeband.

Status : Wordt de laatste jaren al meer geshowd, is dan ook bijna op elke duivententoonstelling terug te vinden, dankzij enkele overtuigde fokkers zowel in Vlaanderen als in Wallonië.

Vlaanderse Smierel :

Herkomst : Begin 17de eeuw zijn er meeuwduiven vanuit Oost-Azië naar onze streken gebracht. In verschillende streken zijn deze duifjes de basis geworden voor sierduivenrassen met ieder hun eigen raskenmerken. Wat deze meeuwduiven gemeen hadden, was een schildtekening en een jabot, de opstaande kropveertjes.
Deze meeuwtjes kenden en kennen nog steeds variëteiten zonder een kap bv.: de Antwerpse Smierel, de Akense Lakschildmeeuw de Luikse Meeuw. Hiernaast zijn er ook variëteiten met een kap, in verschillende vormen. We zien hier kapstructuren als schelp- en puntkap. Bij deze puntkappen hebben we het over de Turbit, een Britse creatie en over de "Schildekens" of "Le Cortbek des Flandres", die in onze kontreien de basis legden voor de Vlaanderse Smierel. De Vlaanderse smierel kent haar oorsprong dus in Vlaanderen en heeft door de eeuwen heen zeer weinig verandering doorgemaakt.

Eigenschappen : Rustig en gemakkelijk duifje dat zonder problemen verschillende nesten na elkaar grootbrengt. Gekenmerkt door zijn vertrouwelijk en opgewekt karakter weet het reeds vele jaren menig duivenmelker te bekoren. Of je nu een mooie duivenvolière hebt of een simpel tuinhokje waarop enkele duiven kunnen verblijven en er zo mogelijk ook uitvliegen, de Vlaanderse Smierel is het ras bij uitstek om een sierduivenhok te bevolken.

Uiterlijke kenmerken : Middelgrote witte schildmeeuw met gekleurde mantel. De houding is iets afhellend (bijna horzontaal). De snavel-voorhoofdslijn verloopt recht zonder enige indeuking tussen snavel en voorhoofd, de schedel dient gerond te zijn. De puntkap wordt ononderbroken ondersteund door manen en de punt komt op gelijke hoogte met het hoogste punt van de schedel, net boven het oog. De snavel is middellang en vleeskleurig, boven- en ondersnavel ongeveer even dik. De keel is goed uitgesneden en het oog is donker (vitsoog).

Kleurslagen : Enkel het schild is gekleurd, wat kleur achter de loopbenen (broek) is toegelaten. Minimum de 7 buitenste slagpennen zijn wit, maximaal 12. De vier duimveren moeten niet gekleurd zijn, maar dit vormt wel een pluspunt. Erkend in zwart, dun, blauw, bruin, rood, geel en zilver met hun verdunningen, met en zonder banden, gekrast en gezoomd en witgeband.

Status : Veruit het populairste Belgische meeuwenras. De Vlaanderse smierel is vrijwel steeds in mooie series van hoge kwaliteit aanwezig op onze tentoonstellingen.